Herdenken
Er is in de afgelopen weken veel discussie geweest over het voor te dragen gedicht bij de 4 mei herdenking en de herdenking van de dode Duitse soldaten in Vorden. Die discussie laat twee kanten zien. In de eerste plaats past deze discussie in de trend om ook het leed van de Duitse kant te zien, zoals de bombardementen op de Duitse steden, de verkrachtingen van vrouwen in Berlijn, de zuivering van de legertop na de aanslag van von Stauffenberg, en de terreur van de nazi’s op de eigen bevolking in de laatste maanden van de oorlog. Zo ontstaat het beeld dat Duitsers ook een vorm van slachtofferschap kennen. In de tweede plaats oppert Ewoud Sanders in de NRC dat de herdenking van de oorlog steeds meer gekaapt wordt door een klein deel van de Joods-Nederlandse gemeenschap, die een monopolie op het leed claimen en tot in de volgende generatie gevrijwaard willen worden van “levenslang pijn”.
Op dit moment moet ik mijn eigen geloofsbrieven afleggen. Mijn vader is joods, mijn oma was joods en de en van de twee overlevers van haar generatie (geboren 1910) in haar familie. Ik heb dit voorjaar een sten in Sobibor laten plaatsen voor mijn vijf vermoorde oud-tantes. Maar ik heb ze niet gekend, ik ken geen verhalen van ze, er zijn geen foto’s. Het leed dat hun is aangedaan is voor mij een abstractie, hooguit een fantoompijn voor nooit gehouden feestjes in buitenveldert. Ze waren niet praktizerend joods, dus een bar mitzvah of een seder zit er ook niet in. Maar voor mij was, is en blijft de holocaust de maatstaf en het dieptepunt van het kwaad, net zoals het nazi-regime voor mij het meest abjecte politieke systeem is. Maar ik kan geen leed verinnerlijken dat ik niet heb. Ik ben geboren in 1964, ik ben geen oorlogsslachtoffer – ook niet in de tweede of derde graad.
Als het leidend principe van de herdenking “nooit meer Auschwitz is” dan is het dienstig in de herdenking stil te staan bij de anatomie en de genese van het kwaad. Als anti-fascist, is voor mij het schema om de oorlog te analyseren niet Duits versus geallieerden, maar fascisme tegen liberalisme. In dat licht waren Duitsers ook vaak slachtoffers (als ze communist of sociaal-democraat waren en zeker als ze joods waren). Er waren ook buitengewoon veel meelopers, en er waren veel opportunisten. Het kwaad kent schakeringen, maar kent ook herhalingen. Ik kan de PVV niet anders dan een verdere vervorming van fascisme zien en het CDA heeft dezelfde accommodatie met de PVV ingezet als von Papen met Hitler in 1932. Het spijt me het is niet anders. daarnaast is er een voedingsbodem voor het fascisme in Europa. Dat vraagt om alertheid, maar ook om het inzicht in de mechanismes van het meelopen en het collaboreren.
Dan helpen morele categorieen van goed en kwaad niet of van absoluut leed ook niet. We doen de Tweede Wereldoorlog, en haar slachtoffers het meest eer aan door te herdenken maar ook te blijven duiden en de schakeringen van goed en kwaad te ontdekken en te vertellen. Het gedicht van Auke de Leeuw is een zeer zorgvuldige duiding van de dwaling van zijn oud-oom. Het stilstaan bij omgekomen dienstplichtigen draagt ook bij aan de schakering van het kwaad.
De vraag is wel of dit duiden, tegelijkertijd met de dodenherdenking plaats moet vinden. De discussie vind in elk geval plaats rondom de dodenherdenking, als is de samenkomst op de Dam, op 4 mei, om 20.00 uur van de twee verhaallijnen nog een brug te ver. Het gaat er mij niet om dat de dodenherdenking een herdenking van slachtoffers en daders moet zijn. Het gaat er mij om dat we de ruimte blijven geven om de meerdere schakeringen van het leed en het kwaad inzien, en vooral scherp blijven om demechanismes van het totalitaire denken en handelen te herkennen en te ontwapenen. Daar is de herdenkingscyclus toch het beste seizoen voor.
Michiel Scheffer is Fractievoorzitter van D66 Gelderland en was lijsttrekker in 2011
